|
|
|
Verklaring van genetische termen en woorden.
|
| Allel
|
Door mutatie ontstane vorm van een gen, die een bepaalde vaste plaats op een chromosoom kan innemen
en die de drager is van een hoeveelheid erfelijke informatie.
Van elk gen zijn meerdere uitvoeringen mogelijk. Elke uitvoering wordt een allel genoemd. Als een individu voor een bepaald
gen twee gelijke allelen heeft, dan noemt men dit gen homozygoot. Als het twee verschillende allelen heeft, noemt men het gen heterozygoot.
Allelen komen alleen voor in paren.
Eigenlijk dus gewoon varianten voor de zelfde genen)
|
| Anerytristisch, A
|
Ofwel Anery of Missing Red wil zeggen dat het gen voor rood ontbreekt,
AN betekend niet, zonder en erythri(n) betekend rood pigment
het resultaat is dus een zwart/grijze slang. Deze dieren worden ook wel zwarte albino's of Missing Reds genoemd.
Er zijn drie typen Anerytherisme welke elk voor een bepaald uiterlijk zorgen.
Anery A mist alleen het rode pigment. Het zwarte en gele pigment blijven over.
Meestal met een wat gelige kleur aan de zijkant van de kop en de zijkanten.
|
| Anerytristisch, B (Charcoal)
|
Ofwel Anery B of Charcoal (Axantin word zelden als naam gebruikt, de A betekend niet, zonder en Xantin betekend geel pigment )
Deze mist naast het rode pigment ook nog het gele pigment.
Deze dieren zijn dus helemaal zwart, grijs, wit van kleur.
|
| Anerytristisch, C or Morph Z (Ashy/Cinder)
|
|
Anery type met bourgondische roestachtige kleur.
Heeft hoge zadeltekeningen. De kleur kan op verbrand rood, oranje lijken
|
| Caramel
|
De Caramel word beschouwd als een vorm van anery A, al is niet iedereen
het daar over eens. Sommige houden het bij een 'Wildkeurtype',
maar de werking van het gen lijkt zeer veel op Anery.
Het Caramel gen versterkt de gele tinten en heeft weinig tot geen rood pigment.
Pas geboren lijken ze veel op Anery A , naar mate het ouder worden
versterkt het gele pigment. Ook lijkt het Caramel gen co-dominant
te zijn, wat blijkt uit het vaak rommelige koppatroon
en de gelige onderkleur die een dier wat hetrozygoot voor Caramel is vaak heeft. Maar het is NIET co-Dominant, omdat het nooit voor 100% zeker is dat
je het aan een hetrozygoot kunt zien!!!
Lichtbruine goud gelige onderkleur met caramelkleurige tot donkergele
zadels omlijnd met zwart
|
| Cel
|
|
De cel is de kleinste eenheid waaruit ieder organisme of levend wezen is opgebouwd en die alle genetische informatie
van dat organisme bevat.
Alle planten, dieren, schimmels en bacteriën bestaan uit cellen.
De cel bestaat onder meer uit een celmembraan, dat de inhoud bij elkaar houd,
het cytoplasma waarin een celkern aanwezig is.
Het cytoplasma bestaat zelf uit cytosol en celorganellen.
|
| Celdeling (somatische celdeling mitose) en (reduktiedeling meiose )
|
|
1. Somatische celdeling
De somatische celdeling of gewone celdeling gaat het hele leven door.
De somatische celdeling zorgd ervoor dat nieuwe huid wordt aangemaakt voor de vervelling en dat opgelopen verwondingen weer helen.
reduktiedeling
Het begint met één enkele bevruchte eicel.
Zo'n bevruchte eicel (een zygote) door de samensmelting van een mannelijke zaadcel met een vrouwelijke eicel (gameet).
Alvorens echter de gameet van de man kan samensmelten met de gameet van de vrouw
moet er eerst een deling van de voortplantingscellen aan vooraf gaan, want het dier dat uit die bevruchting
voort zal komen moet een precies gelijk aantal chromosomenparen bezitten als ieder van de ouderdieren!
Het aantal chromosomenparen bepaalde immers de soort?
Het volgende voorbeeld maakt duidelijk waarom de chromosomen zich eerst moeten delen.
Wanneer een volledige mannelijke voortplantingscel zou samensmelten met een volledige vrouwelijke voortplantingscel dan zou de bevruchte eicel
(=zygote) TWEE maal dat aantal chromosomen bevatten!!!
wanneer zo'n zygote tot ontwikkeling zou komen, een geheel ander wezen ontstaan.
Voordat de mannelijke zaadcel (=gameet) en de vrouwelijke eicel (=gameet) kunnen samensmelten moet er dus eerst een halvering (=reduktie)
van het aantal chromosomen plaatsvinden!!!
Zowel de mannelijke zaadcel als de vrouwelijke eicel zijn dus ontstaan uit de voortplantingscellen.
De voortplantingscel van zowel de man als de vrouw bezit een poollichaampje
en een kernlichaampje met daarin het "normale" aantal chromosomen.
Het bijzondere van de voortplantingscel is echter
dat deze zich niet op een normale wijze deelt. Dat wil zeggen dat de celdeling van de voortplantingscel verschilt met
die van de somatische celdeling. Net als bij de gewone (=somatische) celdeling deelt het poollichaampje
zich in tweeën.
Echter, integenstelling tot de gewone celdeling, waarbij de chromosomen onder invloed van de poollichaampjes
in de lengterichting doormidden worden getrokken, gaan de paren chromosomen (=homologen chromosomen) naast elkaar liggen,
waarbij ze onderling "deeltjes chromosomen" uitwisselen!!!!!!!. Na deze uitwisseling van "deeltjes chromosomen" gaan de paren chromosomen
(=homologen chromosomen) uit elkaar en bewegen naar de polen van de cel. Maar het resultaat is nu, dat slechts één chromosoom van elk paar
één der beide uiteinden van de cel bereikt!!!!!
Hier word dus al bepaald want voor dier we kweken (en de hetrozygoten en homozygoten!!!
Foto rechts is (somatische celdeling mitose)
Foto links is (reduktiedeling meiose )
|
| Chromosomen
|
Komt uit het Grieks: chroma = kleur; soma = lichaam
Het totale genoom - al het DNA in hun cellen - ligt bij slangen verdeeld over verschillende lange ketens van stikstofbasen in de celkern.
Basen: (De 4 letters die het alfabet vormen van DNA: A (Adenine), T (Thymine), C (Cytosine) en G (Guanine). In RNA is U (Uracil) in de plaats van T)
Baseparen: (De basen A, T, C en G vormen vaste paren. A kan alleen tegenover T staan en C alleen tegenover G. In RNA staat A tegenover U.)
Deze ketens worden chromosomen genoemd. Zij bevatten de volledige genetische informatie die noodzakelijk is voor ontwikkeling,
instandhouding en voortplanting van een slang. Chromosomen bestaan uit DNA en een aantal belangrijke eiwitten, histonen,
die een rol spelen bij het opvouwen van de lange strengen DNA. Het DNA en de chromosoomeiwitten samen worden ook wel chromatine genoemd.
Bevat een deel van het erfelijk materiaal (DNA) van een (meercellig) organismen.
Elke chromosoom bevat informatie over een groot aantal erfelijke eigenschappen.
Elk chromosoom bevat genen, die als banden of als strepen op een chromosoom tot uiting komen.
In cellen komen chromosomen in paren voor, de 2 chromosomen van een paar zijn gelijk aan elkaar,
ze bevatten dan ook genen voor dezelfde erfelijke eigenschappen.
In geslachtscellen komen geen chromosomenparen voor, maar enkelvoudige chromosomen,
er komen ook geen genenparen voor maar enkelvoudige genen.
Bij bevruchting komen de enkelvoudige chromosomen in een spermacel en de enkelvoudige chromosomen
in een eicel bij elkaar.
|
| Cloaca
|
|
De cloaca (Latijn: "riool") is de opening in het lichaam van sommige dieren waardoor zowel ontlasting, urine en genitale afscheidingen
(zoals de eieren) worden afgegeven. Alle vogels, reptielen en amfibieën hebben een cloaca. Dieren met een placenta (de meeste zoogdieren)
en beenvissen hebben in plaats van een cloaca gespecialiseerde openingen.
|
| Cytoplasma
|
|
Het cytoplasma is alles waar een cel uit bestaat behalve de kern.
Het cytoplasma tezamen met de kern heet het protoplasma.
De buitenste laag van het cytoplasma is het celmembraan, dat ervoor zorgt allen in de cel blijft.
Het cytoplasma bestaat uit het cytosol (de vloeibare basissubstantie) en de organellen en insluitsels die erin drijven.
Het cytosol bestaat uit water, eiwitten, RNA, aminozuren (de bouwstenen van eiwitten), suikers, ionen, en vele andere.
Het cytoplasma bestaat voor 60 tot 95% uit water.
Het cytoskelet is een netwerk van eiwitten dat zich ook in het cytoplasma bevindt en o.a. stevigheid en vorm geeft aan de cel.
|
| DNA
|
Desoxyribonucleïnezuur of DNA
is de belangrijkste drager van erfelijke informatie in alle bekende organismen.
Een DNA-molecuul bestaat uit twee lange strengen van nucleotiden, die samen zich buigen tot een dubbele helix. De twee strengen zijn aan elkaar verbonden door zogenaamde baseparen. Een basepaar verbindt twee tegenover elkaar liggende nucleotiden. De volgorde van nucleotiden in een streng wordt een sequentie genoemd. Omdat er in principe oneindig veel sequenties mogelijk zijn, kan de volgorde van nucleotiden unieke erfelijke informatie verschaffen.
In organismen bevindt het DNA zich binnen de cel in de vorm van chromosomen. Chromosomen kunnen miljoenen basenparen bevatten. Door middel van de replicatie wordt het DNA in een chromosoom gekopieerd. De replicatie gaat vooraf aan de celdeling. Zodoende krijgt elke cel een kopie van het DNA, en kan via de voortplanting het DNA doorgegeven worden aan het nageslacht.
Op een chromosoom bevinden zich tientallen tot honderden genen. Genen bestaan uit een of meer DNA-sequenties, en ieder gen kan coderen voor een of meer eiwitten. Eiwitten vervullen binnen en buiten de cel een zeer grote verscheidenheid aan biologische functies.
|
| Diffused
|
Diffused is eigenlijk een patroonvariant omdat
het hier om het Diffusing (vervaging) van het patroon gaat.
en niet om de dieprode kleur. Deze dieprode kleur is er in de jaren heen
door middel van lijnkweek in gekweekt. (is deze dieprode kleur aanwezig noemen we het bloodred)
Bloodred , Diffused is een zeer populaire morph geworden mede door haar veelzijdigheid.
Jonge dieren hebben geen, of een sterk vervaagd patroon aan de zijkant.
Ook hebben ze een witte buik. Bij iedere vervelling vervaagd hij een beetje meer.
Als de dieren ouder worden gaat ook het rugpatroon langzaam vervagen.
Bloodred, Diffused lijkt codominant maar is het zeker niet!!!
Dit zien we aan de al vervaagde buik en de typische grijsachtige kop. Die meestal
ook een ander patroon heeft dan de dieren zonder dit gen.
Dit noemen we Outcrossed Bloodred.
|
| Dilute
|
Het Dilute gen is vrij bekend bij zoogdieren waar het Dilute gen zorgt dat:
-Zwarte dieren tot blauw grijs kleuren
-Bruine dieren tot lavanderachtige kleuren
-Huidskleurige dieren tot geelachtig
-Grijze dieren tot rose-achtig
Dilluted of Dillution
Is eigenlijk een Engelse term voor Klontering.
Vaak wordt niet geheel juist over verdunning gesproken.
Dit wordt veroorzaakt doordat de pigmentcellen in de huid samenklonteren tot grotere cellen,
waardoor de kleur reflectie van de cellen anders (verdund of minder diep) wordt.
Het gen Dilute word ook "blauw" genoemd, sommige kwekers dachten dat
het een lijnkweek van Anery Motley is. Omdat het eerst alleen bekend
was in Anery motley's. Ook ging toen de gedachte dat het gen verwant
zou zijn aan Motley. Maar dat bleek al snel een misvatting te zijn.
Nu dat er verschillende kwekers Anery (Blue) Dilute bij hun Anery Motley
collectie houden worden de verschillen steeds duidelijker.
De eerste Blue Dilute met een normaal patroon (dus geen Motley) werd geboren
in 2006, bij Rob Stevens van Bayou reptile, ook in dat jaar bij hem de
eerste Blue Dilute Striped.
De naam Blue Dilute word nu door de meeste geaccepteerd als
gemeenschappelijke naam.
Het Dilute gen is vrij bekend bij zoogdieren waar het Dilute gen zorgt dat:
-Zwarte dieren tot blauw grijs kleuren
-Bruine dieren tot lavanderachtige kleuren
-Huidskleurige dieren tot geelachtig
-Grijze dieren tot rose-achtig
Het Dilute gen lijk wel anders te reageren dan de andere Hypo genen.
Het Dilute gen heeft een andere uitwerking op het melanine (zwart en of
donker pigment) dan de andere Hypo genen.
Mede doordat er bewezen is dat het Dilute gen ook voor een normaal patroon
kan zorgen en de verandering in kleur en de reductie in het melanine,
praten we over een nieuw gen!
Van veel op Hypo lijkende Lavanders is er bewezen dat ze niet
hypomelanistisch zijn,mogelijk zwerft hierin ook het Dilute gen.
Dit is speculatie en nog niet bewezen in 2007.
de tijd zal het ons leren en we houden U op de hoogte.
|
| Diploïde
|
Een diploïde cel is een cel waarvan de celkern twee exemplaren van elk chromosoom bevat
(alleen de mannelijke geslachts-chromosomen zijn verschillend). Het aantal chromosomen wordt weergegeven met 2n.
Elk gen zal dus ten minste tweemaal voorkomen.
|
| Dominant
|
Een genetische eigenschap is dominant aanwezig als bij een diploïd organisme slechts één van de twee allelen (kopieën)
van een gen (òf die op het van de moeder afkomstige chromosoom òf die op het van de vader afkomstige chromosoom) tot uiting (expressie) komt.
|
| Eitand
|
Eigenlijk zijn het twee tanden die voor het uitkomen aan elkaar groeien.
Deze eitanden zitten in de bovenkaak.
maar in tegenstelling tot de andere tanden groeien deze tanden naar voren.
De eitanden kunnen al na een paar minuten afvallen.
De eitanden van een slang zijn net zo scherp als de andere tanden van een slang.
Met deze tanden maakt de slang sneetjes in de leerachtige eischaal. Om zo de bewoonde wereld op te zoeken.
Indien de eitand te vroeg afbreekt zal de slang niet zelfstandig uit het ei kunnen komen.
|
| Erythrin
|
|
Erythrin is het gen dat rood pigment aanmaakt
|
| Fenotype
|
Betekent letterlijk verschijningsvorm en is afgeleid van het Griekse phainein = doen schijnen, laten zien.
Het fenotype is het totaal van alle waarneembare eigenschappen (kenmerken) van een organisme.
Het is het resultaat van de genetische aanleg (het genotype) van een individu en de invloed daarop van zijn omgeving.
Een voorbeeld hiervan is de huidskleur bij mensen. Deze wordt deels door het genotype bepaald, maar ook beïnvloed door de zon (het milieu).
In dit geval heeft dus ook de omgeving invloed op het fenotype.
Je zou het fenotype kunnen uitdrukken in een simpele formule:
fenotype = genotype + invloed van buitenaf
|
| Feromonen
|
|
Zijn geurstoffen die een vrouwtje afgeeft tijdens de vruchtbare periode.
Deze zijn het sterkst net na de vervelling. Ze zijn bedoeld om paringlustige mannetjes aan te trekken.
Feromonen worden net als alle andere geuren opgenomen door de tong dmv tongelen en komen zo tegen het orgaan van Jacobson.
|
| Gameet
|
|
Een gameet of geslachtscel is een haploïde cel die dient voor de seksuele reproductie.
De geslachtscellen van een mannelijk organisme heten zaadcel, van vrouwelijke organismen eicel.
Mensen hebben X en Y geslachts chromozomen
de man heeft XY en de vrouw XX waarbij de Y dominant is
Bij slangen is dat andersom daar heet de man ZZ en de vrouw WZ waar bij de W dominant is.
Wanneer een eicel en een zaadcel van hetzelfde organisme samensmelten, vormen ze een zygote,
een diploïde cel die tot een nieuw organisme uitgroeit, drager van DNA van beide ouders.
Voor de vorming van de haploïde geslachtscellen uit de normale diploïde cellen waaruit een organisme is
opgebouwd gebruikt het een versie van de celdeling genaamd meiose.
Bij meiose worden uit één diploïde cel vier haploïde cellen gemaakt.
Elk van de resulterende gameten heeft één van de twee aanwezige chromosomen van ieder paar.
De kerndeling, mitose, vormt twee cellen met hetzelfde aantal chromosomen als de moedercel.
|
| Gen
|
Een deel van het DNA-molecuul waaruit een chromosoom bestaat.
Een natuurlijke eenheid van erfelijke informatie.
Een gen bestaat uit introns en exons. Exons zijn de coderende gedeelten, de informatie in introns komt niet terug in het uiteindelijke genproduct.
Een gen is een bepaalde DNA-volgorde voor 1 of meerdere specifieke eiwitten.
Deze eiwitten kunnen een zichtbare erfelijke eigenschap tot uiting brengen, zoals kleur of patroon.
Elk gen heeft een vaste plaats (locus) op een chromosoom.
Genen komen in slangen in paren voor, op elk homologe chromosoom liggen dezelfde genen.
De twee genen van een genenpaar bevatten informatie voor dezelfde erfelijke eigenschap.
Maar deze informatie hoeft niet gelijk te zijn. Genen komen in verschillende verschijningsvormen voor.
Zo een verschijningsvorm wordt een allel genoemd. De informatie op de twee allelen kan gelijk (homozygoot)
of ongelijk (heterozygoot) zijn.
|
| Genotype
|
|
Het genotype is de volledige erfelijke informatie over de eigenschappen van een organisme. Deze informatie bevindt zich in de genen in het DNA.
Het genotype is de verzameling eigenschappen van het individu die is overgeërfd van beide ouders.
De erfelijke informatie is overwegend opgeslagen in de chromosomen. Deze informatie wordt door beide ouders doorgegeven aan de nakomelingen.
|
| Haploïde
|
Haploïde organismen hebben, in tegenstelling tot diploïde organismen, slechts één exemplaar van ieder chromosoom.
Dit wordt weergegeven met n of 1n. Ook cellen kunnen haploïd zijn: bij slangen zijn voortplantingscellen haploïd.
|
| Hemipenis
|
De hemipenis is de penis van een of slang. Slangen hebben een lange staart, wat de paring bemoeilijkt.
Daarom is hun penis in tweeën verdeeld, hemi betekent half. Hierdoor kunnen ze zowel links als rechts contact maken met het vrouwtje.
Als de paring wordt verstoord, kan de hemipenis naar buiten komen te hangen.
Soms herstelt dit zich vanzelf, maar bij in gevangenschap gehouden dieren is het beter het zaakje met een vochtige handschoen terug te masseren.
|
| Heterozygoot
|
|
Een slang is heterozygoot voor een bepaalde eigenschap, als het twee verschillende vormen (allelen) van een gen heeft.
Dit betekent dat het voor een bepaalde eigenschap die zich op een bepaalde plaats (locus) op de chromosomen bevindt,
twee verschillende kopieën heeft.
Als twee heterozygote organismen zich samen voortplanten, kunnen ze deze genen doorgeven in verschillende combinaties.
en heeft het nageslacht voor het beschouwde locus dezelfde allelen.
|
| Homozygoot
|
|
Een slang is homozygoot voor een bepaalde eigenschap als het twee identieke kopieën van een gen heeft in een chromosomenpaar. Dit komt tot stand komen als beide ouders hetzelfde allel voor een gen doorgeven aan hun nakomeling.
Als twee homozygote organismen zich voortplanten, kunnen ze enkel dit gen doorgeven en is het nageslacht ook homozygoot.
|
| Hypo
|
Hypo
Hypo betekend minder, onderdrukt
|
| Hypomelanistisch
|
Hypo betekend minder, onderdrukt en melanisties betekend zwart of donker pigment.
Wildkleur waarbij vrijwel alle zwarte pigment verdwenen is.
Ofwel Hypomelanistisch. Dit gen onderdrukt dus het zwarte, donkere pigment,
waardoor het nauwelijks tot uiting komt in het uiterlijk.
Vaak word de uiting van het rode pigment hierdoor versterkt.
Er zijn verschillende Hypo type's:
Hypo A
Hypo B Sunkissed Grote zadels, andere koptekening, en donkere duidelijke markers op de buik
Hypo C Lava word ook "transparant"genoemd, heeft eenn "paarsige"omranding van de zadels
Hypo D Ultra
Christmas
Dilute verdund the kleuren
De foto rechts is een Hypo A De middelste Hypo B en de Linkse Hypo C
|
| intermediair
|
|
Als een diploïd organisme heterozygoot is (twee verschillende allelen heeft) voor een eigenschap,
dan kunnen beide allelen tot uitdrukking komen, resulterend in een mengvorm (bijvoorbeeld roze bloemen,
als er één allel voor rode bloemen en één allel voor witte bloemen is).
Bij de Pantherophis Guttata is dat alleen mogelijk bij Ultramel!!! doordat het Ultra gen op de zelfde locus ligt als het Amel gen
worden deze samengesmolten tot Ultramel. En is dus NIET Co-dominant!!!
Dit heet intermediair of additief.
Maar het kan ook zijn dat één van de twee allelen niet tot uiting (expressie) komt.
Het tot expressie komende kenmerk heet dan dominant en het niet tot expressie komende kenmerk heet recessief.
|
| Melanine
|
|
Het gen dat het pigment
dat de( zwarte en bruine) kleur aanmaakt.
|
| Mutatie
|
|
wijzigingen die aangebracht worden in het DNA waardoor er veranderingen in de genen ontstaan
|
| Lavender
|
Ook de Lavender is eigenlijk een soort anery
Het Lavender gen zorgt voor paarsachtige kleuren.
Bleke grijs rose onderkleur met paarsige rose tot donker rose zadels
De ogen horen robijn rood te zijn.Helaas vererfd het gen
wat zorgd voor de oogkleuren, niet altijd mee,
waardoor de kleuren van de ogen per dier kunnen verschillen.
|
| Locus
|
Locus (meervoud: loci): Latijn voor 'plaats'.
locus wordt gebruikt om aan te geven waar een gen zich op een chromosoom bevindt.
Varianten op de DNA sequentie van een locus worden allelen genoemd.
|
| orgaan van Jacobson
|
|
Het orgaan van Jacobson is het reukorgaan van slangen en sommige hagedissen zoals skinken en varanen.
Het is een soort kruising tussen onze neus en mond, omdat zowel de tong als een soort neusweefsel betrokken zijn.
De werking hiervan is per diergroep iets verschillend, een zoogdier ademt lucht in en voert deze langs het orgaan van Jacobson.
Bij een reptiel werkt het anders; hij steekt de tong uit waarna er geurdeeltjes op blijven 'plakken',
en vervolgens stopt hij de uiteinden van de tong in een holte en strijkt deze langs het orgaan van Jacobson.
Geurdeeltjes zijn in wezen niets anders dan verdampte moleculen die zo geanalyseerd worden door de hersenen,
een bepaalde herinnering bij het dier oproept.
De moleculen die in de uitgeademde lucht van een prooidier zitten worden als zodanig herkend, en de jacht wordt geopend.
De geur van vijanden daarentegen jaagt schrik aan en maakt het dier alerter.
Door snel met de tong op en neer te bewegen, worden meer geurdeeltjes opgenomen, vandaar dat bijvoorbeeld een slang 'kwispelt'
met de tong. Als een slang wordt verstoord of stress heeft zie je dat ze dat al snel doen.
A = Oog
B = Traanklier
C = Neusholte met weefsel
D = Inwendige neusopening
E = Uitwendige neusopening
F = Uitgestoken tong
G = Ingetrokken tong
H = Orgaan van Jacobson
|
| Poppen
|
Bij het poppen worden de hemipenissen van de man naar buiten gewreven.
Alleen als de hemipenissen naar buiten komen weet je met zekerheid dat het een man is.
Hij kan ze namelijk door zijn spieren samen te trekken ook vastklemmen en binnen houden.
Door te poppen weet je dus alleen met 100% zekerheid of het een man is als
de hemipenissen naar buiten komen.
|
| Protoplasma
|
|
Het protoplasma is de vloeistof in de cel waarin zich de celkern en celorganen, bevinden, plus het celmembraan.
Het protoplasma bestaat uit water (60-80%), eiwit, vetten, koolhydraten, vitaminen en mineraalzouten.
|
| Recessief
|
Een genetische eigenschap is recessief als bij een diploïd organisme deze eigenschap alleen tot uiting (expressie) komt,
wanneer een dominant allel ontbreekt. In een diploïd organisme betekent dit, dat beide kopieën van het chromosoom de recessieve
variant van het gen moeten bevatten, het organisme is dan homozygoot recessief voor deze eigenschap.
|
| Sonderen
|
Geslachtsbepaling door middel van een sondeernaald
Hierbij gebruiken we een sondeernaald, die met alcohol schoongemaakt en met vaseline ingesmeerd is.
De sondeernaald word heel voorzichtig bij de slang in de cloaca gebracht,
door deze naar achter te schuiven (richting de staartwortel) kunnen we het geslacht bepalen.
Omdat de man in de staartbasis de hemipenissen heeft zitten, kan bij de man de sondeernaald dieper ingebracht worden,
vier tot acht schubben.
En bij een vrouw slechts 1 of 2 schubben.
Sondeer alleen zelf als je weet wat je doet, en het van ervaren mensen hebt geleerd!
Je zou de slang snel van binnen kunnen beschadigen, en kan daardoor onvruchtbaar worden. (We noemen dat lekprikken).
Om nog maar niet te praten over de eventuele ontstekingen!
|
| Xantine
|
|
Xantine is het gen dat geel pigment aanmaakt
|
| Zygote
|
De zygote of bevruchte eicel is het eerste stadium juist na de versmelting van een eicel met een zaadcel (de bevruchting).
De zygote is een diploïde cel die wordt gevormd uit twee haploïde cellen.
Snel na de vorming begint de zygote met celdelingen en wordt dan embryo genoemd.
|
|
 
|